De Betuwe

De Betuwe is een streek in de Nederlandse provincie Gelderland, gelegen in het gebied tussen de Rijn en de Waal. De naam Betuwe is of afgeleid van Insula Batavorum (het eiland van de Bataven) of van Bat-ouwe (vette vlakte). Voor onze jaartelling was de Betuwe voornamelijk het jachtgebied van de eromheen wonende stammen. Er woonde wel een Keltische stam, de Eburonen, maar de Betuwe was een lastig gebied om goed bewoonbaar te maken. De rivieren traden regelmatig buiten hun oevers, waardoor de lager gelegen gedeelten in de winter moerassig waren. In de zomer was het gebied een ondoordringbare wildernis: overdekt met wilgen, essen en elzen, en doorsneden met ontelbare stromen en riviertjes.

Inval Romeinen

De Romeinen vielen Nederland binnen in 57 voor Christus, toen de Romeinse keizer Julius Ceasar Gallië veroverde. In 53 voor Christus werden de Eburonen door keizer Julius Ceasar uitgeroeid. Deze Kelten waren zeker niet achtergesteld aan de Romeinen en hadden eenzelfde beschaving. Zij kenden de kunst van het smeden van goud en zilver, het vervaardigen van siervoorwerpen en voorwerpen van glas en aardewerk. De Keltische beschaving kende echter geen steden, maar bestond uit verscheidene stammen die regelmatig met elkaar streden.

Komst Bataven

Van 55 tot 12 voor Christus vestigden de Bataven zich in de Betuwe. De Betuwe was toen een smeltkroes van volkeren. De Bataven kwamen uit het huidige Duitsland, behoorden tot de Germanen en maakten deel uit van de Chatten, een stam uit het huidige Hessen in Duitsland. De Bataven waren kolosaal van gestalte, hadden goudblond haar en blauwe ogen en stonden bekend als een krijgshaftig volk. De rivieren waren toen de enige toegangswegen. Door de vele rivieren bestond het gebied uit rivierkleigrond. Dit maakte de bodem vruchtbaar. De Bataven leefden dan ook van de landbouw. Langs de rivieren – op de hoogste gedeelten, de zogenaamde wallen - bouwden de Bataven hun huizen: woon/stalhuizen met rieten daken. Op deze wallen zijn sporen van hun verblijf gevonden. Centra van bewoning waren in de eerste vier eeuwen de kop van de Betuwe, Elst en omgeving en het gebied Zetten en Herveld.

De Bataven bouwden in hun dorpen tempels van hout, waar zij hun goden – zoals Wodan, de oppergod in het Germaanse godenrijk - vereerden en de barden hun lof bezongen. De dochters van Wodan bepaalden of je wel naar Walhalla mocht, een prachtig huis voor de gestorven helden. Als je niet in het Walhalla kwam, ging je naar het donkere en koude Nevelheim. De zoon van Wodan heette Balder. Balder zorgde voor feest en plezier en maakte de natuur nieuw en mooi. Ter ere van hem werd het midzomerfeest gevierd. De Bataven maakten op dit feest grote vuren op het land en bereidden hier medicinaal voedsel op. De doden werden op hoge houtstapels verbrand en in urnen gestopt, die vervolgens werden begraven.

De godsdienst van de Bataven werd geleid door druïden. De Bataven vereerden hun goden met houten beeldjes en offers als schilden, zwaarden, vee en vruchten.

Romeinse invloed

De Romeinen hadden de Bataven aangespoord zich in de Betuwe te vestigen. Zij werden namelijk ingezet om - als loyale stam - de rust te bewaren in het grensgebied van het Romeinse rijk en leverden duizenden soldaten voor de hulptroepen van het Romeinse leger. Het waren goede soldaten, die het brachten tot lijfwacht van de keizer van Rome. De Romeinen beschouwden ze als dappere soldaten en uitstekende ruiters. De Bataven konden zó goed zwemmen, dat zij zonder hun paarden en wapens te verliezen in gesloten eenheden de Rijn konden oversteken. De Bataven hadden dan ook binnen het Romeinse leger een eigen afdeling ruiterij, de Ala Batavorum.

De Romeinse invloed was zeer groot bij de Bataven. De Bataven genoten lange tijd van hun bevoorrechte positie als bondgenoten van de Romeinen en hoefden geen belasting te betalen. De Romeinen gebruikten op hun beurt Bataafse voorlieden om de loyaliteit van de stam te verzekeren. Vooral de elite ging zich met de Romeinse beschaving vereenzelvigen. Maar voor de Romeinen bleven de Bataven barbaren. De inheemse Bataafse leiders probeerden daarentegen beschaafd over te komen. Ze namen Latijnse namen aan en spraken Latijn. De Bataven richtten Romeinse gedenkstenen op en ze vereerden de Romeinse keizer.

De Bataafse elite oefende aanzienlijke invloed uit op haar volk, omdat zij vaak de aanvoerders leverde van de Bataafse eenheden in het Romeinse leger. Deze militaire eenheden maakten een groot deel van de bevolking uit. In de 1e eeuw zaten ongeveer vijfduizend mannen in het Romeinse leger op een bevolking van ruim dertigduizend. Elke Bataafse familie had wel een familielid in het Romeinse leger. Dienen als militair was een essentieel middel van bestaan. Toch hielden de gewone Bataven hun eigen tradities en cultuur zoveel mogelijk in ere.

De Bataafse opstand

Rond het midden van de 1e eeuw ontstonden steeds meer spanningen tussen de Bataven en de Romeinen. De zelfstandige positie van de Bataven veranderde en zij werden langzaam maar zeker in een Romeins bestuursmodel gedwongen. De macht van de lokale adel verschoof naar de Romeinse bezetter. Dit zorgde voor zoveel onvrede bij de Bataven dat zij in opstand kwamen onder leiding van de Bataaf Julius Civilis (ook wel Claudius Civilis genoemd). Het Romeinse Rijk had de Rijn als noordgrens en er werden expedities voorbereid op de Betuwe. De Romeinen vestigden zich langs de Rijn om zo de grens van het Romeinse Rijk te beveiligen. Kesteren en Herveld werden Romeinse legerplaatsen.

De Bataafse opstand vond plaats in 69–70 na Christus. In die tijd waren er twee verdedigingslinies, één langs de Waal en één langs de Rijn. Nadat de Bataven al meerdere overwinningen hadden behaald op de Romeinse legioenen, lukte het een groot Romeins leger uiteindelijk de opstand van de Bataven neer te slaan. Nijmegen werd een garnizoensplaats van de Romeinen om de bevolking uit de Betuwe te intimideren. Ondanks de nederlaag werd Julius Civilis gezien als een held, die voor de vrijheid van de Bataven had gevochten. Na de opstand herstelde de relatie tussen de Romeinen en de Bataven zich weer.

De Franken

In de 3e eeuw was de Rijngrens minder door de Romeinen beschermd en voegden ook andere Germanen zich onder de Bataven. In 257 vielen de Franken - een Germaans volk uit het huidige Duitsland - de Betuwe binnen. De Franken werden verdreven, maar de onrust nam toe. Er waren vele aanvallen over en weer van Germanen, Romeinen, Bataven en Franken. Het gebied werd hierdoor onveilig en de bewoners trokken weg uit de Betuwe. Het land raakte ontvolkt en de tempels verlaten. De Bataven gingen op in andere volkeren. Het Romeinse Rijk verzwakte uiteindelijk. De Romeinen trokken zich terug en de grenzen van Nederland werden niet langer bewaakt. Vele stammen trokken ons land binnen, al dan niet op doorreis.

In de 4e eeuw werd de Betuwe door zware overstromingen zo nat en drassig dat het weinig aanlokkend was daar te wonen. In de 5e en 6e eeuw werden de Betuwse moerassen de schuilplaats voor allerlei benden en stammen.

Karel de Grote

In de 7e eeuw kregen de Franken vaste voet in de Betuwe en wisten zij weer orde op zaken te stellen. In de 8e eeuw, in de tijd van de Evangelieprediking, was de streek weer dichtbevolkt. Betuwnaren gingen over tot het Christendom en kerken werden gebouwd. Karel de Grote werd in 768 koning van het Frankische Rijk. Hij breidde het rijk verder uit en bracht het tot grotere bloei. Hij introduceerde wetten, scholen en hield een stabiel Frankisch Rijk in stand. In de 9e eeuw viel het Frankische Rijk weer spoedig uiteen na de dood van Karel de Grote in 814.

Een van de redenen van het uiteenvallen van het rijk, waren de strooptochten van de Noormannen door de Betuwe. Deze strooptochten herhaalden zich tot het begin van de 11e eeuw. Daarnaast was het meermaals opdelen van het Frankische Rijk een groot nadeel. Hierdoor werd de macht verdeeld. In 925 werd Nederland definitief ingelijfd bij het Oost-Frankische Rijk, het begin van het Duitse Rijk.

Graafschappen en vorstendommen

Vanaf begin 900 ontstonden verschillende graafschappen en vorstendommen. Door grote droogte werd het op de veenbodem mogelijk landbouw te bedrijven. Na het jaar 1000 stopten de strooptochten van de Noormannen en brak er een stabieler tijd aan. Vele graafschappen - zoals Vlaanderen, Holland en Gelre – waren toen al gevestigd, evenals hertogdommen waaronder Brabant. De macht van de Duitse Keizer nam af. De macht van de graafschappen en hertogdommen en die van de steden nam toe. Steden ontwikkelden zich steeds meer op politiek, economisch en cultureel gebied.

Feodale stelsel

Omstreeks de 10e eeuw deed het feodale stelsel zijn intrede. Het feodale stelsel betekent hiërarchie en een economie gebaseerd op landbouw. De koning leende land aan grootgrondbezitters (adel en ridders) in ruil voor militaire steun. De meerderheid van de bevolking waren boeren en horigen die het land bewerkten in ruil voor bescherming.

De adel bestond voornamelijk uit familieleden van de koning en droegen de titel van graaf, hertog, burggraaf, baron, heer, ridder, verschillend in rang en macht. Samen vormden ze de kroonadel van de koning. De edelen woonden in burchten, vooral ingesteld op verdediging en niet zo zeer op comfort. Ze hielden zich bezig met jacht, toernooien, steekspelen en oorlog voeren. Niet alleen adellijke mannen, maar ook dappere mannen van lager afkomst konden tot ridder geslagen worden.

Vrije handel

In de middeleeuwse samenleving vormden de geestelijkheid en hoofse adel een elitegroep, die de macht volledig in handen had. Rond 1200 kwam daar echter verandering in, doordat de geldeconomie langzaam opkwam. Een deel van de bevolking maakte zich los van het feodale systeem en kon door de opleving van de vrije handel een zelfstandig bestaan opbouwen. Hierdoor ontstonden steden en een nieuwe bevolkingsgroep, de burgerij (of bourgeoisie). Een gegoede bovenlaag van de maatschappij, die hun macht of status ontleende aan vermogen, opleiding en werk in plaats van familieachtergrond. Steden werden steeds zelfstandiger en machtiger. Om burgers èn privileges te beschermen werden de meeste steden versterkt met grachten en muren met stadspoorten.

De bouw van kastelen

De graven, hertogen en leenheren, die steeds meer macht van de keizer overnamen, hadden sinds de 12e eeuw behoefte aan een versterkt huis om hun belangen te beschermen en hun macht uit te oefenen. Daarom gingen zij over tot het bouwen van kastelen. In het kasteel kwamen diverse functies van het gezag bijeen. Het kasteel had de rol van gerechtshof, belastingkantoor en was vaak het huis van de heer. Daarnaast vervulde het in de oorlog een belangrijke rol als burcht.

Als bouwmateriaal werd voor de 12e eeuw in het algemeen hout of natuursteen gebruikt. Het bakken van stenen, die de Romeinen hadden geïntroduceerd, was na hun vertrek in onbruik geraakt, maar kwam in de loop van de 12e eeuw weer in gebruik. Van die tijd af werden in de buurt van rivieren en andere kleihoudende streken de zogenaamde kloostermoppen gebakken, zware en lompe stenen.

De ligging van de kastelen moest voldoen aan twee voorwaarden. Ten eerste moest het kasteel nabij een strategisch punt aan een rivier, weg of moeras liggen. En ten tweede moest deze plaats door haar natuurlijke ligging in het terrein gemakkelijk en goed te verdedigen zijn.

De landsheer

In het begin werden de ambtelijke graven nauwlettend gevolgd door de keizer, omdat het keizerlijk hof in Nijmegen dichtbij was. Later, toen de keizer zich in Duitsland terugtrok, nam het toezicht af. De landsheer vervulde in zijn gebied de taken van burgemeester, rechter, notaris en belastinginspecteur. Daarnaast diende hij zorg te dragen voor de verdediging van het land. De macht van de Duitse keizer nam door de eeuwen heen af en de positie van de landsheer werd steeds machtiger, totdat hij niet langer gebonden was aan een hoger gezag.

In 1158 maakte de Duitse keizer de diverse ambten erfelijk, zodat het ambt met alle toebehoren binnen een familie bleef. Hierbij kregen de landsheren enkele koninklijke rechten, zoals het recht om de heerban (het leger van leenmannen) op te roepen, tollen te heffen, opbrengst van de boeten van het gerecht te incasseren, rechters aan te stellen, het verkrijgen van onbeheerde en verbeurd verklaarde goederen, recht op de woeste gronden, de grote stromen, de beken, de heerbanen (jachtgebieden), de veer- en visrechten, de windrechten, de tienden van ontgonnen landen, etc. Door de toekenning van al deze rechten werden de graven zo goed als onafhankelijk.

Huwelijkspolitiek

Soms werden gebieden veroverd, maar meestal werden gebieden door huwelijken aan het territorium toegevoegd. De huwelijkspolitiek was uiterst belangrijk voor een adellijke familie. Het viel echter niet mee om een aaneengesloten gebied te krijgen. Daarvoor waren er te veel machtige families. Het op het juiste moment aangaan van de goede allianties vergde een goede politieke neus. Om de bezittingen te behouden was het verleidelijk om binnen de familie te trouwen. Het ambt van landsheer was dan wel erfelijk geworden, maar dat wilde nog niet zeggen dat alles vanzelf eigendom van de familie bleef.

De graven moesten voortdurend hun gezag bevestigen. De landsheer liet letterlijk zien dat hij machtig was door middel van hofhouding, kunst en kleding. Uiterlijk vertoon was in de Middeleeuwen van groot belang. Hij financierde musici en schilders en liet kerken en kastelen bouwen. Bij een grote heer hoorde uiteraard een grote hofhouding. De landsheer had veel bedienden in dienst. Onder andere koks, jagers, stalmeesters, bakkers, smeden, zadelmakers, boden en kapelaans, die hun loon in levensmiddelen ontvingen.

Een van de belangrijkste taken van de landsheer was de rechtspraak. In eerste instantie gebeurde dit op de hoven en kastelen die de landsheer bezat. Later werden kleine vergrijpen ook in de steden berecht. Ernstige misdrijven werden door de landsheer behandeld. Ook was de landsheer verantwoordelijk voor de dijken. Aanwonenden van een dijk en bewoners van het achterland waren verplicht een bepaald dijkvak te onderhouden. Het woord dijkgraaf herinnert nog aan de oorspronkelijke verantwoordelijke.

Invloed van de kruistochten

Tussen 1095 en 1271 vonden verschillende heroveringstochten plaats van westerse legers in oosterse islamitische landen voor het behoud van de voor christenen heilige plaatsen. De kennismaking met de beschaving in het Oosten tijdens deze kruistochten bracht een verandering teweeg in levensgewoonte. Ridders maakten kennis met tapijten, kostbare stoffen, meubilair en andere luxe. De kastelen in het Westen boden echter niet veel woonruimte: een kelder als opslagplaats en een kamer of zaal, waar iedereen de dag – en vaak ook de nacht - doorbracht. De kastelen werden na de kruistochten uitgebreid en comfortabeler en geriefelijker gemaakt.

De ridder

In de 8e eeuw werd voor het eerst van ridders gesproken. Er werd een klasse van beroepssoldaten gevormd, die voortdurend paraat was om bedreigingen het hoofd te bieden. Hun militaire uitrusting was erg kostbaar en niet iedere vrije man kon dit betalen. In een oorkonde uit de 8e eeuw wordt beschreven hoeveel de uitrusting van een ridder kostte. De prijs werd berekend in koeien, want er was weinig geld in omloop.

helm, 6 koeien

maliënkolder, 12 koeien

zwaard, 3 koeien

schede, 4 koeien

beenplaten, 6 koeien

schild en lans, 2 koeien

paard, 12 koeien

Een totaal van 45 koeien. In dezelfde oorkonde wordt vermeld dat een goede os 2 koeien kost en een merrie 3 koeien. De uitrusting van de ridder blijkt dus evenveel te kosten als 15 merries of bijna 23 ossen, kortom een fortuin. Bovendien had de ridder voor lange veldtochten een extra paard nodig en eten. Daarnaast had hij een paard, wagen en menner nodig om alles te vervoeren. Dankzij de toegenomen welvaart bewapende de heer enkele ridders en bouwde hij op deze wijze een eigen legertje van strijders op.

Ridderlijkheid

De klasse der ridders ontwikkelde een eigen eergevoel: ridderlijkheid. Deze ridderlijkheid bestond uit een mix van erbarmen en brutaliteit. Zo werden eenvoudige buitenlui massaal vermoord, landen veroverd, geplunderd en vervolgens verspeeld door ridders die op een heilige missie als een kruistocht waren.

Liederen als het Roelantslied – een ridderroman uit de 11e eeuw, die de gebeurtenissen van Karel de Grote beschrijft - hadden een grote invloed op de ridderlijke moraal. In het Roelantslied worden bloemen, planten en vogelgezang in één adem verheerlijkt met het kampement van een leger, een belegering en het blinken der zwaarden. Hierin gaat de heer voorop in de strijd als voorbeeld voor degenen die hem volgen. In dit lied is lekker eten en drinken even plezierig als het zien van doden met lansen tussen de ribben.

Doe leide hij onder hem wale

den horen ende Durendale

Hij bad Gode met zoeter bede

dat hijne ten paradijs gelede.

Te Spanien wert keerde hij hem weder

ende viel ruggelinge neder

dat niemand en zeggen mochte,

Roelant en hadde den strijd volvochten.